Behandeling op afstand:
Voor de mensen die veraf wonen kan de behandeling starten na een telefonisch contact of een contact via webcam. Je kunt ook een filmpje van jezelf opsturen.

Voorbeeld van patronen bij een 10-jarige autistische jongen

Nico, een 10 jarige zwaar mentaal gehandicapte autistische jongen


Patronen om niet te kunnen spreken

• Je bent dood, je bent verdoofd, je leeft niet, je spreekt niet, je hoort niet, je ziet niet, je beweegt niet, je voelt niet, je ruikt niet, je bestaat niet, je bent een plant, je denkt niet. Dit activeert een patroon i.v.m. de hersenwerking dat ervoor zorgt dat de hersenwerking zo goed als stopt doordat een stof in het celplasma (glucose ?) in onvoldoende mate aanwezig is zodat er zich geen normale scheikundig processen kunnen voordoen.

• Je kan niet horen. Dit patroon zorgt ervoor dat geluiden niet tot hem doordringen omdat hij zo in zichzelf zit als er iemand tot hem spreekt.

• Hij zit zo in zijn wereldje dat hij zich er niet bewust van is dat er tot hem gesproken wordt. Hij wordt er zich uiteindelijk van bewust en hij hoort wat vage klanken. Hij ziet de mond bewegen en door de gebarentaal en de klank kan hij uitmaken wat er bedoeld wordt.

• Hij hoort klanken niet duidelijk onderscheiden. Hij hoort ongeveer altijd dezelfde klanken. Er is slechts een kleine nuance tussen verschillende klanken.

• Hij is er zich niet van bewust dat mensen spreken (dat mensen de eigenschap 'spreken' kennen).

• Je kan niet spreken, je kan niets zeggen. Dit activeert een patroon dat invloed heeft op het deel van de hersenen dat de spraakorganen stuurt. Dit deel van de hersenen is zo goed als verlamd. Er is ook weer de stof die ontbreekt in het celplasma waardoor de cellen niet kunnen functioneren.

• Je bent een dier, een dier spreekt niet. Dit activeert een patroon dat ervoor zorgt dat de cellen in het spraakcentrum in de hersenen onvoldoende worden gevormd. Er is een tweede patroon dat ervoor zorgt dat er te weinig bloedtoevoer naar het spraakcentrum gaat zodanig dat het metabolisme geremd wordt.

• De sturing vanuit de hersenen naar de tong verloopt gebrekkig. De elektrische geleiding over de zenuwen naar de tong is gestoord zodat de tongbewegingen nodig voor het spreken niet kunnen uitgevoerd worden.

• Er zijn ontstekingen in de zone van de hersenen die de spraakorganen stuurt zodat de nodige processen zich niet kunnen voordoen.

• Het verhemelte is verlamd, er is geen of te weinig gevoel in het verhemelte.

• Je mag niet spreken, je mag niet horen, je mag niet voelen, je mag niet leven.  Dit activeert een patroon i.v.m. de hersenwerking dat ervoor zorgt dat deze zo goed als stilstaat. Er zijn geen of weinig processen in de hersenen. Er is geen of een beperkte elektrische werking. Er is een beperkte zuurstof- en voedseltoevoer.

• Een patroon stuurt de tongbewegingen verkeerd. Dit gebeurt niet op basis van een hersenwerking. Het patroon bevat de verschillende foutieve tongbewegingen.

• Het spraakcentrum in de hersenen wordt gestoord zodra er een poging tot spreken is. Het spraakcentrum wordt geblokkeerd doordat er een overmatige elektrische activiteit komt zodanig dat de elektrische geleiding naar de tong verstoord wordt.

• Er is een patroon met de klanken die wel kunnen gemaakt worden en de nodige tongbewegingen daarvoor en een activering van de hersenwerking zodanig dat de bewegingen kunnen uitgevoerd worden.

• Er is geen duidelijk gehoor. Daardoor kan Nico geen woorden onderscheiden. Hij hoort alleen klanken, hij kan geen fijne nuances van geluiden onderscheiden. Daardoor kan hij ook geen woorden leren. Hij begrijpt niet dat de klanken die hij hoort een logische structuur inhouden (woorden).

• Nico zit soms in de persoonlijkheid van een oester. Hij zit in zijn schelp en is afgesloten van de buitenwereld. Hij hoort alleen wat vage geluiden en voelt de deining van de zee.  Dit zorgt voor een gevoel van schommelen en heen en weer wiegen.

• De trillingen in het gehoororgaan worden vervormd zodat hij alleen enkele klanken kan opvangen. Het gros van de klanken gaat verloren.


Patronen voor een gebrek aan taalbegrip

• Je kent geen taal. Er is geen taal. Taal bestaat niet. Je kan geen taal begrijpen.

• Niet horen wat er gezegd wordt. Alleen wat klanken horen. Niet beseffen dat het om gerichte klanken gaat die een betekenis hebben, die een logica inhouden. Zelf enkel klanken kunnen uitstoten. Geen woorden kunnen vormen. Hierbij is ook een patroon aanwezig met de tongbewegingen die bepaalde klanken kunnen produceren.

• Je bent een dier. Dit patroon is gelinkt aan een ander patroon dat ervoor zorgt dat het taalcentrum in de hersenen is afgesloten van de rest van de hersenen. Dit deel wordt amper gevoed. Dit deel staat zo goed als niet in contact met de andere delen van de hersenen. Dit deel is zo goed als verlamd.

• Je kan niet spreken. Je kan niet communiceren. Je kan niets duidelijk maken. Je kan geen gerichte taal gebruiken. Je kan je niet uitdrukken.

• Je kan geen woorden vormen. Je begrijpt geen woorden.

• Je kan niet denken. Je kan niet redeneren. Je kan geen woorden vormen. Je kan niet articuleren. Je kan niet begrijpen.


Patronen om niets buiten zichzelf waar te nemen en om opgesloten te zitten in eigen wereld om geen contact met anderen te hebben

• Je denkt niet, je leeft niet, je weet niet, je bent een plant.

• Er is geen wereld, er is leegte, je bent leeg, je bent een bol, je rolt door het leven heen (zonder enige bewustheid).

• Je bent een plant, je bent een bewegend voorwerp.
• Je bent niet bewust, je bent leeg, je bent niets, je bent niet.
• Er is geen bewustzijn, je bent niet bewust, je weet niet dat je leeft.

• Je kunt niet horen, je kunt niet voelen, je kunt niet denken, je kunt niet ruiken, je kunt niet zien, je kunt niet communiceren, je neemt niet waar.

• Er is niemand behalve jezelf.
• Je kent niemand anders.
• Je bestaat alleen.

• Een patroon met een beeld van een bol, die dan Nico voorstelt (het ik). Er is alleen bewustheid van de bol. De aandacht kan niet verder gaan dan dat. Er is niets buiten de wereld van de bol.

• Een patroon dat zorgt voor een toestand van verdoving, van niet-bewustheid. Het patroon bevat het gevoel van verdoofd te zijn.

• Je zit in je eigen wezen. Je bent totaal afgesloten van de wereld. Er is niets buiten jou. Er is alleen jezelf. Je kan niets waarnemen buiten jezelf.

• Zich niet bewust zijn van de omgeving. Zich niet bewust zijn van mensen. Zich niet bewust zijn van het feit dat hij een mens is en dat er andere mensen zijn. De anderen in de omgeving betekenen voor hem: objecten die ervoor zorgen dat hij aan zekere dingen geraakt, dat er aan zijn noden voldaan wordt. Er zijn geen gevoelens voor anderen. De anderen zijn iets waarvan hij geleerd heeft hoe het opereert, en hoe hij er zich moet tegenover gedragen om te bekomen wat hij wil.

• Er is geen sociale interactie, er is geen communicatie. De anderen bestaan niet. Er is geen contact met de buitenwereld.

• Hij heeft geen besef van de begrippen ouders, verpleegster, begeleider.

• Hij kent het verschil tussen mensen door bepaalde nuances:  door de grootte, de klank, de houding, de manier van doen.

• Het begrip 'anderen' en 'mensen' en 'ikzelf' zijn hem vreemd.

• Hij zit veilig in zijn eigen kleine wereld en er wordt aan zijn behoeftes voldaan (de wereld van een plant).

• Je zit opgesloten in jezelf. Je bent vastgelijmd aan jezelf. Dit patroon zorgt ervoor dat de aandacht niet verder gaat dan zichzelf. Je kunt niet loskomen van jezelf.

• Hij kan alleen leven vanuit het bewustzijn dat hij dingen wil hebben., Voor de rest is hij verdoofd, staat zijn geest stil.

• Als hij soms gaat knuffelen bij zijn moeder is dat uit een drang naar contact die ineens opkomt en hij weet waar hij dit kan vinden. Maar dan is die drang ineens weer over en voelt hij weer uitsluitend zichzelf en interesseert het knuffelen hem niet meer.

• De geest is leeg, de geest staat stil, er zijn geen gedachten. Hij is uitsluitend met de aandacht op zichzelf geplakt en neemt niets waar. Hij is zich van niets bewust.

• Hij kan heel kort loskomen van zichzelf als hij bepaalde noden heeft. Dan kan hij zijn aandacht een beetje naar buiten richten om de persoon te zoeken die zijn noden kan lenigen.

• Hij heeft weinig begrip van voorwerpen in de omgeving. Hij kan de functie van een nieuw voorwerp niet begrijpen, tenzij na veel herhaling.

• Je kan niet horen. In dit patroon is ook aanwezig: zich volledig afsluiten van de buitenwereld en in een schelp kruipen.

• Je kunt je zoals een oester niet openen. In dit patroon zit ook een beeld van een gesloten oester die zich nooit opent.


Patronen om ongecontroleerd zijn behoeften te doen

• Zijn behoeften doen zodra hij de aandrang voelt. Hij kan de regels die bepalen dat dit op een zekere plaats en een zeker tijdstip moet gebeuren niet aanleren.

• Er zijn ontstekingen in het deel van de hersenen verantwoordelijk voor de sturing van de spieren die controle hebben over urinelozing en ontlasting, waardoor dit proces niet normaal verloopt.

• Niet echt begrijpen wat stoelgang en urine is. Leven als een dier. Automatisch de behoeften doen zonder er bij stil te staan wat er gebeurt.


Patronen voor een lage frustratiedrempel en om zeer agressief te worden

• Het stoort hem, het stoort hem enorm als hij datgene waar zijn aandacht op staat niet kan verkrijgen. Hij is dan uitsluitend op dat ene ding gefixeerd en op het bereiken ervan. Zijn aandacht is erop geplakt. Wat hij wil bekomen, is gebrand in zijn hoofd. Op dat moment is er geen enkele andere realiteit. Het verkrijgen van wat hij wil, wordt als vanzelfsprekend beschouwd. De mogelijkheid dat wat hij wil niet zou kunnen uitgevoerd worden, bestaat niet voor hem. Als er dan van buiten uit iets tussenkomt waardoor hetgeen hij wil niet kan uitgevoerd worden, is dat een enorme verassing, iets waar hij totaal geen rekening mee gehouden heeft (en alle volgende keren ook niet aangezien hij niet leert). Er komt een gevoel van enorme frustratie en woede naar boven, en hij kan dat bijzonder ellendige gevoel alleen kwijt door hevig te stampen, te slaan, zich op de grond te gooien, te tieren en hevig te wenen. Alleen zo kan hij kalmeren en van het verschrikkelijke gevoel van frustratie verlost raken.


Patronen om nood te hebben aan een vertrouwde omgeving en aan vertrouwde handelingen

• Iets dat voor het eerst ervaren wordt, is een verschrikking. Hij kan niet leren en hij kan niet redeneren. Hij kan geen logische gevolgtrekkingen maken uit voorbije ervaringen. Hij kan dus niet weten dat iets nieuws (bv. een nieuwe begeleider of een nieuwe fiets) geen gevaar inhoudt, omdat hij niet kan vergelijken met de vorige situatie.

• Hevige angst en een gevoel van gevaar bij iets dat hij niet kent.
• Angst voor verandering.

• Een gewoonte is een houvast. Je kan er niet van afwijken. Als je ervan afwijkt, ben je je houvast kwijt en ben je uit evenwicht. Elke vaste regel betekent houvast . Zonder vaste regel ben je verloren en weet je niet hoe het moet. Dan ben je verward.

• Er kan niets veranderen. Alles moet zo blijven .Als alles zo blijft, is het goed en is het veilig.

• De dingen die je kent, geven houvast.
• Alles is goed zo. Niets mag veranderen. Verandering betekent frustratie en onevenwicht.

• Het moet altijd hetzelfde blijven. Het moet altijd zijn zoals het voorheen was. Er mag een enkele afwijking zijn.

• Een gewoonte is belangrijk, een vast ritueel is belangrijk. Houd er ten alle prijze aan vast. Dit patroon houdt ook in: agressief worden naar anderen die het ritueel willen veranderen.

• Zich niet kunnen aanpassen aan gewijzigde omstandigheden. Het absoluut niet kunnen begrijpen dat iets verandert. Als iets verandert, creëert dit totale verwarring, is hij totaal uit evenwicht. Er komt een enorme woede naar boven voor gericht aan de persoon die de verandering veroorzaakt heeft. Hij zal aanvallen, bijten, krabben.


Patronen voor 'het moet zo en niet anders'

• Eens hij zijn zin op iets gezet heeft, wordt dit als het ware in zijn hersenen gebrand. Zijn aandacht blijft erop geplakt, hij kan er niet meer van loskomen. Hij moet zijn zin krijgen. Zijn aandacht kan alleen nog daarop staan en op niets anders meer. Alleen als hij zijn zin krijgt, kan hij aan iets anders denken en zijn aandacht daarvan lostrekken.

• Er is geen andere weg.
• Het moet zó en je kan er niet van afwijken.

• Eens hij zijn aandacht op iets gezet heeft, gaat er een ganse tijd over (waarvan de duur vastligt in het patroon) eer de aandacht daar weer kan van loskomen en zijn aandacht kan overgaan naar iets anders.

• Je kan niet afwijken van wat je vooropgesteld hebt. Pas als dat voldaan is, mag je iets anders vooropstellen. Iets móet uitgevoerd worden vooraleer er afgehaakt wordt. Er is geen enkel alternatief (dus als iets dat in zijn hoofd zit niet kan uitgevoerd worden, is dat bijzonder frustrerend).

• De eerste keer dat een sequentie uitgevoerd wordt, wordt een bepaalde volgorde van acties in de hersenen gebrand. Later kan kan van deze volgorde nooit meer afgeweken worden.

• Een dwang om iets te moeten doen zoals het de vorige keer gegaan is. Het kan niet anders, het moet gebeuren zoals de vorige keer.

• Er is een patroon dat bepaalt hoe sommige dingen zich voordoen. Voorbeelden hiervan zijn: een glas wordt op een bepaalde manier geplaatst, of een persoon moet op een bepaalde manier bij een schommel staan, eten moet in stukjes gedeeld worden, kleren moeten in een bepaalde volgorde aangetrokken worden, je moet aan een bepaalde kant langs een paal heengaan enz.  Nico volgt de aanwijzingen uit de patronen. Dus iets kan enkel op de manier verlopen die het patroon voorschrijft.

• Een cyclus kan enkel afgesloten worden als een begonnen sequentie van stappen volledig beëindigd is. Een procedure heeft een zeker verloop. Dit verloop is in het onderbewustzijn gebrand, en dit moet zó gevolgd worden. Als er een afwijking is van de procedure, dan moet er zo snel mogelijk teruggegaan worden naar de juiste sequentie. Blijven insisteren totdat dit zo is. Eens een routine begonnen is, moet die afgerond worden. Iets anders (onderbreken of afwijken) is totaal onmogelijk.

• Het moet zó. Hij weet hoe het moet en hij kan niet begrijpen dat het ook nog op een andere manier zou kunnen gebeuren . Als er een afwijking is van hoe het moet, dan is dat zo verwarrend dat hij totaal uit evenwicht is en zich ellendig voelt. De enige oplossing om zich weer beter te voelen is dwangmatig overgaan naar de vaste manier van doen. Alleen als dat zo is, kan hij zich weer rustig voelen. Dwangmatig terug willen naar de routine, erop insisteren dat die weg gevolgd wordt.


Patronen om niet te kunnen wachten

• Hij heeft zijn aandacht op iets gezet en dan is dat in zijn hersenen gebrand en hij kan er niet meer van loskomen. Zijn aandacht is gefixeerd op wat hij wil bereiken en dan moet het zo snel mogelijk gebeuren. Hij kan zich maar één realiteit voorstellen. Datgene waar zijn aandacht op staat, moet ook nu realiteit zijn. Als hij het nu niet krijgt, denkt hij dat het verloren is. Hij kent het begrip tijdsverloop niet en hij weet niet dat het ook later nog kan als het nu niet onmiddellijk gebeurt. Hij kent het gegeven niet dat iets later ook kan en dat het dan toch niet verloren is.


Patronen voor ergens binnenkomen en overal rondlopen, ergens willen binnen gaan, weglopen enz.

• Hij is zich uitsluitend bewust van zichzelf. Hij is zich niet bewust van anderen of van regels van wat hoort of niet hoort. Als hij in een nieuwe omgeving komt, merkt hij dat er iets verschillend is dan wat hij gewoon is. Hij krijgt een ander gevoel, hij merkt een andere sfeer op. Hij ziet vaag andere kleuren en vaag andere voorwerpen. Hij merkt dat er iets anders is. En dat is voor hem zo'n bijzondere ervaring (vorige ervaringen van nieuwe omgevingen is hij vergeten) dat het een enorme nieuwsgierigheid opwekt. Hij is enorm geprikkeld om die nieuwe omgeving te voelen. Hij is ondersteboven van de nieuwe indrukken die op hem afkomen. Hij voelt het aan als iets aangenaams. Op dat moment is hij even uit het gevoel -dat hij constant kent - van uitsluitend op zichzelf gericht te zijn.

• Hij zit in de persoonlijkheid van een dier, een dier dat snuffelt en de omgeving verkent. Als hij op een bepaalde plaats is, dan voelt hij zich als een dier dat in zijn hol zit. En hij voelt zich geprikkeld om uit het hol te komen en om de omgeving te verkennen. Er ontstaat een nieuwsgierigheid, een gezogen worden naar een andere omgeving, hij wil op een andere plaats zijn.

• Hij moet weg als hij op een bepaalde plaats is, en hij moet naar een andere plaats kunnen gaan.  Hij kan niet op eenzelfde plaats blijven. Er moet afwisseling zijn in locatie. Er moet ook afwisseling zijn in de plaats waar hij staat of zit. Daarom loopt hij heen en weer.

• Ongedurig, het moet veranderen, iets kan niet hetzelfde blijven, het moet anders zijn.


Patronen voor het niet kennen van regels voor sociaal gedrag

• Hij is uitsluitend op zichzelf gericht en op wat hij wil bekomen. Hij is zich van niets anders bewust. Je kan het hem niet zeggen dat er iets niet mag, want zijn realiteit is uitsluitend wat hij wil bekomen en hij kan niets anders begrijpen dan dat. Zijn aandacht is daarop gefixeerd en geen enkele andere realiteit dan die is mogelijk.

• Je kan niet leren, je weet niet, je hoort niet, je bent niet bewust.
• Je weet niet wie je bent. Je weet niet waar je bent. Je weet niet wat er mag en niet mag. Je doet maar wat je ingegeven wordt. Je volgt je impulsen.

• Overal waar hij komt, volgt hij zijn impulsen, zonder enige vorm van nadenken.


Patronen om niet te kunnen inslapen

• Hij zit opnieuw in de persoonlijkheid van een dier. Hij is erop gebrand om wakker te blijven. Hij wil waakzaam blijven als de nacht valt. Hij is zeer alert op geluiden. Het jagersinstinct van het dier dat uit zijn hol wil, komt naar boven als de nacht valt. Als de avond valt, wil hij juist wakker blijven i.p.v. te slapen.

• Ongedurig zijn ’s nachts. Als de nacht valt, wordt hij ongedurig.

• Het niet kunnen verdragen van in zijn kamer opgesloten te zijn. Dat houdt hem wakker.


Patronen om in een sofa te zitten schommelen

• Hij gaat over in een automatisme. Hij gaat zich mentaal volledig terugtrekken in een leegte. Hij is zich van niets meer bewust. Hij wordt een voorwerp, en hij maakt tegelijk de schommelende beweging.


Patronen voor een drang naar aandacht

• Hij is het met momenten beu van in zijn wereldje te zitten. Met momenten is hij eruit en is zijn aandacht naar buiten gericht. Dit is een onveilig gevoel. Hij zit niet meer veilig in zijn wereldje. Dus moet hij de aandacht trekken om steun te krijgen en om zich veilig te voelen. Hij weet dat hij aandacht krijgt als hij bepaalde dingen (kattenkwaad) doet. Daarom zal hij bepaalde dingen doen.

• Het is niet veilig als een ander niet naar je kijkt.
• Het is niet veilig zonder de aandacht van de anderen.

• Je moet in hun belangstellingssfeer komen. Je moet hun aandacht trekken. Ze moeten zich met jou bezighouden. Je mag niet alleen zijn.

• Zorg dat ze je kennen. Zorg dat ze je zien. Dan ben je niet alleen. Dan ben je veilig.


Patronen om ineens te lachen en in zichzelf te zitten lachen

• Hij zit in een leegte, hij voelt niets, hoort niets, is niet bewust etc. en gaat dan ineens lachen omdat dit patroon dit dicteert. En dan is er weer leegte ...

• Een periode van niets (leegte, niets gebeurt), dan lachen, dan weer een periode van niets, dan weer lachen ...


Patronen om met de handen te fladderen

• Een patroon heeft deze beweging als inhoud en bevat ook een tijdsaanduiding van wanneer dit gebeurt.

• Je bent een vogel, je vliegt, je fladdert met je vleugels.


Patronen om dingen naar de mond te brengen en eraan te likken, te ruiken, te voelen

• Als hij een voorwerp ziet, is hij er zich niet van bewust wat het is. Ook al heeft hij het voorwerp al eerder gezien, voor hem is het nieuw omdat hij zo goed als geen herinnering van dingen bewaart. Hij is nieuwsgierig wat het is en hij voelt en ruikt en likt om te weten te komen wat het is, om te weten te komen hoe dit vreemde ding aanvoelt.

• Een automatisme, een drang om dingen die hij in de handen neemt naar de mond te brengen (dwangmatig)

• Zoals een dier de omgeving willen verkennen en nieuwsgierig zijn naar de dingen in de ruimte. Vandaar dingen naar de mond brengen en eraan ruiken enz.


Patronen om onafgebroken te eten

• Een drang naar voedsel, een drang om onafgebroken te eten. Zoals een dier dat zich onafgebroken voedt (er zit een beeld van een slangvormig dier bij, dat zich onafgebroken voedt en onafgebroken de voeding uitscheidt).

• Een beeld van een koe die staat te grazen in de wei, en onafgebroken graast, en enkele rustpauzes heeft om te herkauwen en dan weer graast.

• Eten, eten, eten, eten, leegte, lachen, dartelen (rondlopen), nieuwsgierigheid naar de omliggende ruimte, lachen, zich ontlasten, urineren, dingen kapot maken, eten, eten, eten, fladderen, leegte, enz.


Patronen om dingen kapot te maken

• Als iets niet gaat, dan wordt zijn woede gericht op datgene dat dit veroorzaakt heeft. Dus als een taakje met een voorwerp niet gaat, is het voorwerp de oorzaak daarvan en moet het vernietigd worden.

• Willen vernietigen wat frustratie veroorzaakt, om het nooit meer te moeten beleven.
• Willen straffen van datgene wat frustratie veroorzaakt.

• Je moet breken, je moet vernietigen, niets mag geheel blijven, dingen moeten in stukken.

• Hij voelt zich beter bij kleine voorwerpen dan bij één groot iets,. Daarom wil hij dwangmatig het grotere voorwerp reduceren tot kleinere delen.

• Hij kan iets wat groot is of een geheel is niet confronteren. Het moet in stukken, pas dan voelt hij zich rustig, zo niet voelt hij zeer geagiteerd.


Patronen om naar vreemde mensen te krabben en te bijten

• Een vreemd voorwerp moet vernietigd worden. Een vreemd voorwerp betekent gevaar.

• Hij kan het niet verdragen dat hij iets niet kent. Dat maakt hem ongemakkelijk. Daarom gaat hij het vreemde ding dat hem ongemakkelijk maakt aanvallen.

• Hij wil aanvallen en vernietigen wat hij niet kent om zichzelf te beschermen.


Patronen om andere kinderen niet in zijn buurt te verdragen

• Bij dit gedrag zit hij soms in de persoonlijkheid van een dier: hij wil zijn territorium afbakenen en niemand mag dichterbij komen. Als ze dichterbij komen, wil hij ze verdrijven.

• Hij wil alleen zijn. Hij wil met niemand contact.
• Een ander interesseert hem niet. Een ander stoort alleen maar.

• Niet beseffen dat er anderen bestaan naast hem. Zo aan zichzelf vastgeplakt zijn, zo intens alleen zichzelf waarnemen dat alles wat in de buurt is als een storend voorwerp wordt aangevoeld en moet weggeduwd worden om weer in zijn zalige eentje te kunnen zijn.


Patronen voor afwijkingen in de hersenstructuur en in de hersenwerking

• Een stof wordt niet gevormd. Er is een stof tekort voor de vorming van hersencellen, zodat cellen zich slechts gebrekkig kunnen vormen. De celkern, het celplasma en de celwand zijn gebrekkig gevormd. (Misschien gaat het om een tekort aan glucose of een zuur). Er is slechts één normale celuitloper, een andere wordt zeer kort gevormd en de anderen zijn afwezig. Door deze gebrekkige vorming kunnen geen prikkels doorgegeven worden. Dit gebeurt vooral in bepaalde gebieden van de hersenen die aangegeven zijn in het patroon.

• De uitwisseling van signalen tussen hersencellen gebeurt niet via de uiteinden van de uitlopers van de hersencellen, maar via de cellen zelf. De normale scheikundige processen kunnen zich niet voordoen. De scheikundige processen voor het waarnemen van prikkels en de opslag van data kunnen zich door de misvormde hersencellen niet voordoen.

• Tijdens de vorming van de hersencel vindt er een abnormale scheikundige reactie plaats waardoor een gevormde cel weer afbreekt.  Vooral de celuitlopers breken af.

• Hersenweefsel kan zich niet vormen. Cellen breken voortijdig af bij de vorming van een cel. Er is een stof tekort waardoor een cel die begint te ontluiken, weer afgebouwd wordt.

• Een stof is niet aanwezig voor het uitvoeren van scheikundige processen in de hersenen.

• Je mag niet leven, je bent dood. Dit patroon activeert een patroon i.v.m. de hersenwerking dat ervoor zorgt dat de scheikundige processen in sommige delen van de hersenen zo goed als stilstaan. In de hersenen worden via het zenuwstelsel geen prikkels ontvangen of doorgestuurd.

• De hersenen werken zeer traag. Er is geen verwerking van data (intellectuele processen gebeuren niet). Een stof wordt niet geproduceerd. De hersenen zijn als het ware dood.

• 'Je bent een plant, je bent een bewegend voorwerp'. Dit activeert een ander patroon die een bepaalde structuur van de hersenen per hersenzone inhoudt, en de hoeveelheid aan stoffen of scheikundige processen die in die zones aanwezig zijn.

• Nog een patroon dat gaat over glucose (denk ik) en hersenvocht en de afwezigheid van elektrische geleiding.

• De hersenen zijn verlamd. Er is zo goed als geen bloeddoorstroming in sommige delen. In sommige delen is er is geen elektrische activiteit, met de bedoeling de ziel in een lichaam tot een plant te reduceren.


Patronen voor lage intelligentie

De hierboven beschreven patronen zijn natuurlijk medeverantwoordelijk voor een lage intelligentie, maar daarnaast zijn er nog specifieke patronen hiervoor verantwoordelijk.

• Je bent een dier. Je hebt kleine hersenen. Je hebt een klein denkvermogen. Hiermee is een patroon verbonden dat inhoudt hoeveel intelligentie er mag zijn: de intelligentie van een dier.

• Je kan geen onderscheid maken tussen kleuren (hij ziet vage verschillen tussen kleuren).

• Je kan dingen niet gedetailleerd zien. Je ziet vage vormen. Je ziet mensen vaag. Je kan geen gezichtstrekken onderscheiden.

• Je kan niet waarnemen, je kan niet begrijpen.
• Je kan niets leren, je kan niets begrijpen.

• Je kan je niets herinneren. Dit activeert een patroon i.v.m. de hersenwerking dat ervoor zorgt dat er geen data opgeslagen worden. Er zijn geen scheikundige processen voor de verwerking van gegevens.

• Er is geen geheugen. Dit activeert een patroon met een beeld van onvolmaakte hersencellen en een formule voor de opbouw van deze cellen. Ook bepaalt dit patroon dat er geen hersenprocessen zijn: de hersenwerking staat stil.

• Je kan niet redeneren. Dit activeert hetzelfde patroon als hierboven.
• Traag denken.
• Niet denken.
• Niet weten.
• Je hoort niet, je denkt niet, je voelt niet, je leeft niet, je bestaat niet.
• Je bent niet aanwezig.
• Je kan niet denken.
• Er is geen denken.
• Er is geen begrip.

• Je kan niet denken, je kan niet oordelen, je kan niet inschatten, je kan niet redeneren, je kan niet overzien, je kan niet afleiden.

• Een patroon met een beeld van een koe in de wei. De ganse dag grazen, dat is het enige waar zijn wereld uit bestaat. zijn wereld bestaat alleen daaruit, Er is zogoed zo goed als geen bewustzijn van zichzelf of van de omgeving.

• Je kan niet leven, je kan niet ademen, je bestaat niet, je bent niet.
• Je bent een vogel, je fladdert, je neemt alleen waar, je kan niet denken.
• Je ademt niet, je bent een plant, je bent dood.

• Je kan niet zingen, je kan niet dansen, je kan niet bewegen, je ademt niet.

• Je kan niet zien, je kan niet horen, je kan niet voelen, je kan niet ruiken, je kan niet bewegen.

• De hersenen staan stil, de hersenen zijn dood.

• Je bent afhankelijk van anderen. Je kunt niets alleen. Je kunt niet zelfstandig bestaan. Een ander moet je voeden. Een ander moet het voor je doen.