Voorbeelden van patronen van financiėle moeilijkheden bij vijf verschillende personen
Patronen voor gebrek aan succes en geld
Bij een thema als 'geen succes hebben', zijn er tientallen verschillende patronen verantwoordelijk voor de moeilijke situatie. Dit is één van de redenen dat dit een traag thema is om te corrigeren. Naast het feit dat het om zeer grote patronen gaat, waarvan de basissen op zeer grote dieptes in het onderbewustzijn zitten. Het vraagt dus heel veel werk vraagt om alles af te pellen. De energieën nodig om succes te bereiken, zitten heel diep in de patronen. Hoe dieper de lagen van een patroon die we afpellen, hoe meer energieën er onderdrukt zijn. Een patroon moet voor een groot deel afgepeld zijn vooraleer we de energieën kunnen bevrijden en zo succes kunnen bereiken.
Persoon 1
• Faillissement! (het patroon bevat dit woord met de betekenis ermee verbonden erin vervat).
• Alles verliezen, totaal aan de grond komen te zitten, er nooit meer bovenop komen.
• Je kunt niet opbouwen, je ploetert en ploetert en vecht en vecht en ploetert en ploetert en je komt geen stap verder.
• Moeizaam opbouwen, traag vooruitgaan, heel lang moeten werken eer iets werkelijkheid wordt, veel moeten investeren (in tijd) voor iets lukt.
• Één stap voorwaarts, één stap achterwaarts, je mag niet vooruitkomen.
• Wat je opbouwt, verlies je weer.
• Er gebeurt altijd iets dat je weer naar beneden haalt, je kunt niet opklimmen. Je eindigt bij het begin, hoeveel je ook bereikt, hoe hard je ook werkt, je eindigt bij de start.
• Als alles goed gaat en er grote verdiensten zijn, moet je gestraft worden voor je overvloed. Je mag niet rijk zijn en je mag niet genieten, je mag niet gelukkig zijn. Je wordt gestraft met financiële ondergang.
• Aantrekken van mensen die het mooiste beloven, dit allemaal geloven. Alle zekerheid (vast werk) opgeven en ermee in zee gaan, en loodrecht naar beneden gaan.
• Aantrekken van mensen die hem naar beneden sleuren door hun eigen problematiek en hun financiële moeilijkheden.
• Aantrekken van het ongeluk, van zodra het goed gaat.
• Zichzelf in de grootste ellende moeten storten, van zodra het goed gaat. Daartoe de mensen ontmoetten die de ellende zullen veroorzaken.
• Geen opbrengsten, kleine verdiensten.
• Er komen geen grote projecten, er zijn alleen kleine projecten.
• Er komen geen kansen.
• Niets gaat vooruit, er verandert niets, er gebeurt niets. Je mag niet vooruit geraken, je moet ploeteren. Je mag niet slagen, je mag niets bereiken. Je blijft ter plaatse trappelen.
• Je zult gestraft worden als je rijkdom vergaart. Je zult alles verliezen, je mag geen rijkdom vergaren. De straf is armoede.
• Je bent schuldig als je geld vraagt. Je hoort niet rijk te zijn. Er zijn zoveel arme mensen. Jij mag niet genieten van het leven terwijl andere mensen lijden en vergaan van ellende.
• Je denkt niet na voor je dingen doet, je vliegt erin. Je vertrouwt de anderen. De brokken komen achteraf.
• Je vertrouwt alle mensen. Alle mensen zijn goed en hebben goede bedoelingen. Iedereen is eerlijk.
• Je eindigt in bittere armoede. Je laat je bedotten, je laat je in de luren leggen, je gelooft hun mooie praatjes.
• Je stort je met hart en ziel in elk project. Je geeft het uiterste van jezelf, je werkt dag en nacht. Je wilt het beste creëren, je wilt met trots je prestaties kunnen naar voor brengen. Het moet goed zijn, het moet het beste zijn. Het project mag in niets tekort schieten.
• De bestellingen laten op zich wachten, de klanten wachten om te bestellen.
• Er volgen geen bestellingen uit prospectie en offertes.
• Je gelooft ze en je wacht tot ze je betalen, en je gelooft ze nog en je wacht nog, want immers: iedereen betaalt.
• Ze betalen niet, ze beloven maar ze betalen niet.
• Ze lokken je in de val en je ziet het niet.
• Ze betalen niet, je bent woedend, je bent razend, maar je bent weerloos. Je kunt er niet toe komen het geld te eisen, je kunt niet over je lippen krijgen: betaal mij.
• Angst om geld te vragen.
• Jij bent te goed om geld te vragen.
• Je mag geen geld ontvangen, dat hoort niet.
• Als je geld vraagt, ben je slecht. Ook bevat het patroon een schuldgevoel.
• De deur naar succes is met de sleutel afgesloten, de deur kan niet geopend worden.
• Heel veel inspanningen voor weinig resultaat.
• Hard werken, er zijn geen vruchten.
• Falen, niets bereiken.
• Je kent geen succes.
• Jij doet alle inspanning en zij lopen met je project weg.
• Jij doet het werk en een ander gaat met de winst lopen.
• Alle moed verliezen, geen moed meer. Bij de pakken blijven zitten, geen actie meer kunnen nemen.
• Het geld komt niet, het geld blijft op afstand.
• Het geld holt van je weg.
• Het geluk en het succes blijven op afstand, ze maken een wijde boog om je heen.
• Er is een nijpend tekort aan geld.
• Er zijn zware financiële lasten.
• Te weinig rekening houden met de kosten, een groot project voor zich zien (in de geest) en denken dat de grote winst al binnen is. Te weinig realiteitszin, te weinig inschatten van de kosten en benodigde inspanningen.
• Op voorhand te lichtzinnig over dingen heen stappen. De realiteit verkeerd inschatten, en daardoor voor onverwachte verassingen komen te staan.
• Euforisch, zonder berekeningen en zonder planning erin vliegen.
• Je kunt het niet juist inschatten, je ziet het te groot.
• Enz. (zo zijn er nog tientallen andere patronen)
Persoon 2
• Je mag niet lukken.
• Het gaat niet.
• Er is geen succes.
• Het geld is er niet.
• De deuren naar gelukland openen zich niet.
• Er is geen geluk.
• Niets lukt.
• Wat je ook doet, je faalt.
• Je neemt de verkeerde weg.
• Een ander doet het beter.
• Bij een ander lukt het wel, bij jou lukt het niet.
• Je doet vergeefse moeite.
• Je moet hard werken.
• Je zult niet slagen.
• Je kunt er niet komen.
• Hard werken voor een karig loon.
• Werken van morgendauw tot avondschijn.
• Het loont niet.
• Je hebt te weinig geld, je zit op zwart zaad.
• Ze komen je inboedel weghalen.
• Meedogenloze schuldeisers.
• Je komt in de problemen.
• Niet meer kunnen betalen.
• Juist genoeg hebben, er is niets over, bijna tekort.
• Zwoegen, werken, en toch niet verderop geraken.
• Vermoeid worden door de eindeloze teleurstellingen en de wanhopige vooruitzichten.
• Niemand helpt, er is geen steun, je staat er alleen voor.
• Ze proberen het allerlaatste van onder je vandaan te halen.
• Je kan geen geld vinden.
• Hoe hard je ook werkt, het zal nooit veranderen.
• Je kunt niet vooruitkomen, je blijft ter plaatse trappelen.
• Alles zit vast, niets beweegt.
• Er komt geen evolutie, het blijft voor altijd hetzelfde.
• Je kunt niet opbouwen, het werk blijft status quo
• Er is geen vooruitgang, niets verandert, alles blijft gelijk.
• Kleine verdiensten.
• Je krijgt je geld niet.
• Ze kunnen niet betalen.
• Ze beloven dat ze betalen, en ze betalen niet.
• Je kunt niet investeren.
• Je kunt niet bloeien.
• Je vindt geen rijke klanten.
• Ze komen je lastig vallen met allerlei prutswerk, en je durft niet weigeren.
• Je kunt niemand laten staan.
• Prutsen, niet optimaal kunnen werken.
• Je wordt niet beloond naar je inzet.
• Armoede.
• Ploeteren.
• Een klein zaakje.
• Aantrekken van klanten die klagen en die nooit tevreden zijn, voor wie het nooit goed genoeg is.
• Er is een beperkt aantal klanten.
• Er zijn geen klanten, niemand komt, niemand koopt, niemand wil je product.
• Kleine werkjes, kleine hoeveelheden.
• Geen belangrijke klanten, geen grote bestellingen. Veel kleine klantjes met weinig kapitaal.
• Een patroon dat het ritme bepaalt waarop klanten en bestellingen binnenkomen, een druppelsgewijs ritme.
• Moeizaam verkopen, moeten trekken en sleuren om iets te kunnen verkopen.
• Er is geen omzet, de mensen kopen niet.
• Ze willen jouw artikel niet, ze vitten op de prijs, je bent niet goed genoeg.
• De verkoop blijft stabiel, de verkoop stijgt niet.
• Kleine bestellingen, geringe omzet, geringe verkoop.
• Nihil verkoop, de voorraden blijven staan.
• Je bent niet interessant, je trekt niet aan, je stoot af.
• Ze eisen, het moeten perfect in orde zijn, ze vragen het onderste uit de kan.
• Je kunt geen goed werk leveren, ze zijn nooit tevreden.
• Ze laten je links liggen en ze gaan elders.
• Lage opbrengsten, kleine winstmarges.
• Passief in verkoop. Geen enkele actie nemen om de verkoop op te drijven. Te weinig actie nemen naar klanten toe. Wachten tot ze komen.
• Geen stappen ondernemen om in de buitenwereld te komen.
• Je komt niet naar buiten, je blijft verborgen.
• Niemand kent je, niemand heeft van jou gehoord, niemand weet dat je er bent.
• Je blijft onbekend.
• Er zijn geen deuren die opengaan, er komen geen kansen.
• De deuren naar de armen staan open, de deuren naar de rijken zijn toe.
• Barrières!
• Barrières moeten wegduwen, hevig moeten duwen.
• Er staat steeds iets in de weg, niets gaat vanzelf.
• Er is geen weg eruit.
• Niemand helpt, je staat er alleen voor, je moet het alleen doen.
• Enz. (zo zijn er nog tientallen andere patronen)
Persoon 3
• Alles stopt.
• Je kan niet vooruit geraken.
• Zodra je een weg vindt, sluit die zich weer.
• Je kan geen weg vinden.
• Er is geen oplossing.
• Er kan geen geld zijn.
• Ploeteren.
• Mislukken.
• Er is geen uitweg.
• Je kan niet slagen.
• Er is niet genoeg geld voor dagelijkse overleving.
• Er is geen succes.
• Niemand helpt, je staat er alleen voor.
• Je moet het alleen doen.
• Je bent aan je lot overgelaten.
• Geld vindt de weg niet naar jou, de poort naar het geld is gesloten.
• Je trekt het ongeluk aan.
• Er komen ongelukken op je pad.
• Alles loopt fout.
• Je kan geen geld verdienen.
• Werken aan een laag loon.
• Je krijgt geen kansen.
• Onbelangrijke jobjes aantrekken die laag betaald zijn.
• Je te pletter werken voor een mager loon.
• Werk waarvoor je geen achting krijgt.
• Net niet genoeg verdienen om alles te betalen en daardoor komen er deurwaarders.
• De rechter veroordeelt de arme mens, en de arme mens moet de laatste kruimel betalen aan de rijke die in overvloed leeft.
• Ze komen je inboedel weghalen.
• Ze nemen alles weg wat ze kunnen nemen.
• Het laatste wat je hebt, wordt vanonder je weggehaald.
• Armoede.
• Honger lijden.
• Er is geen genade.
• Je hebt al niets, en ze gaan nog de allerlaatste druppel uit je persen.
• De rijken slapen in vrede en jij crepeert.
• Je kunt de touwtjes niet aan mekaar knopen.
• De maatschappij veroordeelt je voor je armoede en je schamele kleding.
• Genadeloos geslacht worden (als een deurwaarder komt).
• Je krijgt geen respect, je bent een verstotene.
• Je wordt als een vod behandeld.
• Geteisterd en gepest worden door haviken (haviken staan dan staan voor mensen die het zelf goed hebben en die je nog het laatste restje dat je hebt, willen afnemen)
• Je wordt arm geboren.
• Ontberingen en tekorten in de kinderjaren.
• De inboedel wordt bij je ouders weggenomen.
• Enz. de rij kan nog met tientallen andere patronen aangevuld worden.
Patronen verantwoordelijk voor achterstallige betalingen van klanten
• Ze betalen niet.
• Je kan je geld niet krijgen.
• Betalingen worden uitgesteld, men betaalt met vertraging.
• Er is geen vlotte circulatie van geld.
• Ze hebben altijd een excuus.
• Ze vragen uitstel.
• Aantrekken van mensen die moeilijk kunnen betalen.
Persoon 4
• Je zult hard werken, je zult niet veel verdienen.
• Je doet grote inspanningen, je streeft naar hoge doeleinden, je wilt iets groots opbouwen. Je hebt een grote inzet, en dat allemaal voor niets, uiteindelijk bereik je niets.
• Je mag niet opbouwen, je mag niet meer verdienen dan je nu al hebt, je mag niets meer bereiken.
• Ploeteren.
• Kleine verdiensten.
• Je komt niet aan je trekken (financieel).
• Er is geen geld.
• Er is weinig geld.
• Bijna armoede.
• Je zult niet veel geld verdienen, je moet met weinig rondkomen.
• Je hebt genoeg om te leven, maar niets meer.
• Een patroon met het bedrag dat mag verdiend worden, een bedrag dat iets hoger ligt dan de dagelijkse kosten.
• Je krijgt geen hoge bedragen samen, je kunt een klein spaarpotje opbouwen, meer niet/dat is alles.
• Je kent geen rijkdom.
• Je wordt niet rijk.
• De rijkdom is voor de anderen, niet voor jou.
• De rijkdom klopt niet aan je deur, de armoede en de kosten wel.
• De rijkdom loopt van je weg, je probeert die tevergeefs in te halen, het mag niet baten.
• De rijkdom bevindt zich niet op jouw pad, de rijkdom kruist het pad van de anderen.
• Vergeefs streven naar rijkdom, dromen van overweldigend financieel succes. Het blijft een utopie.
• Je mag geen geld vergaren.
• Er is geen succes.
• Je kan niets bereiken.
• Je mag geen groot financieel succes bereiken, je mag alleen genoeg hebben.
• Het lukt niet, je probeert en je probeert en je probeert, maar het lukt niet.
• Je strijdt, je ploetert, je vecht, je houdt vol, je houdt je hoofd boven water.
• Je gaat deur aan deur verkopen, je klopt aan de deur, ze wijzen je af.
• Ze willen jou niet, ze laten jou niet toe in hun huis.
• Je hebt geen waarde.
• Ze geloven je niet.
• Je vinden je verkooppraatje niet aantrekkelijk, wat je zegt, klinkt niet overtuigend.
• Ze kopen het niet.
• Niemand koopt.
• Er zijn weinig klanten.
• Moeilijk verkopen, veel inspanningen.
• Je kunt er maar een klein bedrag uithalen.
• Je kunt niet de juiste klanten vinden. Je kunt geen kapitaalkrachtige klanten vinden. Je kunt alleen mensen aantrekken die slechts een kleine investering kunnen doen.
• Ze luisteren en ze geven de indruk geïnteresseerd te zijn, maar uiteindelijk wordt het niets.
• Ze zullen je afwijzen.
• Je valt niet in de smaak.
• Ze kopen niet bij jou, ze kopen bij een ander.
• Je maakt geen grote indruk, je beweegt hen niet tot kopen.
• Ze zijn niet geïnteresseerd.
• Je mag nu en dan iets verkopen, maar je blijft verder onder de maat. De anderen verkopen meer.
• Het maakt geen indruk wat je zegt, het raakt niet.
• Ze zijn onverschillig. Ze doen alsof ze luisteren, ze luisteren om beleefd te zijn. Uiteindelijk stellen ze jouw gezelschap niet op prijs.
• Je kunt het niet verkopen, je kunt het niet aanprijzen.
• Er zijn geen adressen (= klanten).
• Ze willen je niet helpen (adressen van kennissen geven).
• Ze willen geen adressen geven, ze gunnen je niets.
• Ze voelen een weerstand om je te helpen (adressen geven).
• Onzekerheid bij het uitleggen van het product. Er moet maar wat onverschilligheid of tegenkanting zijn en het zelfvertrouwen is verdwenen.
• Geen vertrouwen hebben in eigen kunnen. Heel gevoelig zijn voor reacties van de potentiële klanten en daardoor onzeker worden.
• Geen verweer hebben tegenover de argumenten van een ander. Zwijgen en toegeven.
• Teveel aanprijzen van het product, teveel herhalen hoe fantastisch het is. Teveel benadrukken tijdens de verkoop, teveel onder druk staan om te verkopen. Te weinig gewoon en ontspannen kunnen zijn.
• Je moet hen overtuigen, het is belangrijk dat je hen overtuigt. Hierbij onder spanning staan. Als er een respons is van de mensen geeft dat veel zelfvertrouwen en een aanmoediging om door te gaan. Als er geen respons is, is alle vertrouwen in het eigen kunnen en alle gedrevenheid verdwenen. Het geloof niet te kunnen overtuigen en het dan maar beter af te trappen overvalt hem.
• Je kunt geen mensen aantrekken, je kunt niet beïnvloeden (een verkoopteam opbouwen).
• Je kunt niet teren op de inspanningen van een ander, je moet zelf hard werken.
• Je werkt alleen, er is niemand anders die je helpt.
• Enz. En zo kan de rij nog aangevuld worden met tientallen andere patronen
Persoon 5
Patronen om niets te verwezenlijken, niets komt van de grond
• Je mag niets bereiken.
• Je maakt alles kapot, je vernietigt, je maakt je kansen kapot.
• Je bent een sukkelaar, een mislukkeling, je kan niets bereiken.
• Je komt niet van de grond.
• Je slaagt niet.
• Alles werkt tegen, alles remt.
• Niets komt in orde. Je begint, maar je verliest het weer.
• Het mag niet duren, het moet weer stoppen.
• Je bent moe, je bent het beu, je wordt het al moe, je wilt er niet mee doorgaan.
• Uiteindelijk komt er niets van in huis, het blijft bij ideeën.
• Je doet niets, je denkt en je denkt en je droomt maar je doet niets.
• Je bent het snel beu, je kotst er weeral van, je wilt iets anders.
• Je wilt rusten, je hebt geen zin meer.
• Je kan het niet lang volhouden.
• Je kan geen werk vinden.
• Je kan niet werken.
• Je verdient je eigen boterham niet, je leeft op kosten van een ander.
• Je werkt niet.
• Je leven is miserabel, is zinloos. Je hebt geen doel, je weet niet wat je moet doen, er is geen toekomst.
• Je moet mislukken, je mag in niets slagen.
• Niets lukt.
• Je kan geen stap zetten, je blijft erover nadenken, je blijft dralen.
• Je kan niets verwezenlijken.
• Je kan geen actie nemen.
• Je mag aan niets beginnen.
• Je mag niet vooruitkomen.
• Ter plaatse trappelen.
• Je moet strompelen.
• Iets houdt haar tegen om actie te nemen. Ze wil wel, maar dan is er een gevoel alsof iets dat zich voor haar bevindt haar tegenhoudt en terugduwt. Ze mag niet vooruit komen.
• Wat je ook start, het komt niet van de grond, het wordt niet gerealiseerd. Het stopt weer voor het goed begonnen is.
• Je komt niet verder dan je eerste stap, en dan komt de twijfel, de loomheid, het dralen, het geen actie nemen, en dan stopt het weer.
• Je begint aan iets, en je bedenkt je, je vindt het toch geen goed idee, en dan stopt het weer.
• Je doet uiteindelijk niets, het blijft bij plannen maken, niets wordt gerealiseerd. Zo leef je dag in dag uit, zo gaan de jaren voorbij, zo gaat je leven voorbij in leegheid en zinloosheid.
• Je mag niet op tijd komen, je moet te laat komen, je doet altijd nog eens anders, je wacht nog wat, je moet te laat komen.
Patronen om geen geld aan te trekken
• Afhankelijk van een ander!
• Je moet armoede kennen.
• Je mag niets bereiken.
• Je kan geen geld vinden, het geld loopt van je weg. Het komt nooit op je pad, het bevindt zich elders.
• Je mag geen geld aantrekken, je moet bijna niets hebben.
• Een patroon met een beeld van een armoedige omgeving waarin ze woont, zo moet haar leven zijn.
• Je mag juist genoeg hebben om te overleven, je mag niet meer hebben.
• Je mag niet werken.
• Je kent geen rijkdom, rijkdom is niet aan jou besteed.
• Je mag niet in overvloed leven, je mag geen groots leven leiden, je mag geen zacht en gemakkelijk leven kennen, je mag geen luxe kennen. Je hebt juist genoeg, je mag soberheid en bijna-ontbering kennen.
• Je kan je veel dingen niet permitteren, je mag niet veel hebben. Je mag het nodige hebben, je mag juist genoeg hebben en niets meer.
• Zodra je een werk hebt, verlies je het weer, want je mag niet meer dan het nodige hebben. Je mag niet over hebben, daarom mag er geen werk zijn.
• Je mag juist genoeg verdienen om te overleven, je mag niet meer hebben dan dat (dus als er meer geld komt, moet dat weer stoppen, dus als er werk komt, moet dat weer stoppen).
• Je kan geen rijke mensen vinden, je leeft in armoede.
Patronen om onsuccesvolle mensen aan te trekken
• Je leeft in armoede, je bent omringd met armoede.
• Ze hebben problemen en een beeld van omringd zijn door mensen met problemen.
• Ze komen op jouw pad en een beeld van het soort mensen die op zijn/haar pad komen. Ze zijn zwak, ze hebben steun nodig. Je wilt hen helpen.
• Als ze problemen hebben, komen ze op jouw pad. Als de problemen over zijn, verdwijnen ze uit jouw leven.
|