Behandeling op afstand:
Voor de mensen die veraf wonen kan de behandeling starten na een telefonisch contact of een contact via webcam. Je kunt ook een filmpje van jezelf opsturen.

Voorbeelden van patronen van faalangst en gebrek aan zelfvertrouwen

Faalangst, onzekerheid, gebrek aan zelfvertrouwen, minderwaardigheidsgevoelens, gebrek aan assertiviteit, gevoeligheid voor kritiek

Patronen voor faalangst - voorbeeld 1

• Je kan niets.
• Je bent niemand, je hebt geen enkele waarde.
• De anderen kijken op je neer.
• Je bent niet belangrijk voor een ander.
• Het moet goed zijn.
• Je mag niet falen.

• Als je faalt, als het niet goed is, ben je een grote nul, wordt je gereduceerd tot minder dan niets, tot het niet bestaande. Je bent niet meer aanwezig als je faalt, je bestaat niet meer.

• Je zult vernietigd worden als je faalt.
• Als je het verkeerd doet, zul je boeten.

• Angst voelen bij elke handeling of bij elke actie. Intense onzekerheid bij elke actie.

• Zodra een leerkracht een opdracht geeft of een vraag stelt, onmiddellijk een hevige angst voelen dat ze het niet zal kunnen.

• Telkens ze iets moet doen wat nieuw is of waar ze niet heel erg mee vertrouwd is, komt er meteen een hevige angst op: 'Ik zal het niet kunnen'.

• Het direct opgeven, direct de moed opgeven. Een overweldigend gevoel komt op: het is niet goed. Naar de anderen kijken hoe zij het doen. Intense onzekerheid.

• Terwijl ze iets doet, is er de hevige angst: 'het zal niet goed zijn', en daardoor dingen stuntelig doen.


Patronen voor faalangst - voorbeeld 2

• Het is een schande als je een fout maakt. Het is een schande als je iets stoms zegt. Het is een schande als je een fout maakt in iets wat iedereen weet of kan.  In dit patroon zit ook een gevoel van schaamte.

• Je mag geen fouten maken, dat is heel erg. Dus daardoor alles mijden wat een fout zou kunnen veroorzaken.

• Angst dat iets niet goed zou zijn, angst om een pover figuur te slaan in de ogen van een ander.

• Angst om voor een groep te spreken omdat alle ogen dan op hem gericht zijn en een oordeel kunnen vellen. Heel nerveus zijn voor een groep uit angst om een fout te maken, want een fout maken is iets dat heel erg is.

• Je kan het niet, je zult falen, je bent dom.
• Je zult het verkeerde antwoord geven en een gevoel van angst.
• Jij weet het niet, je bent dom en een gevoel van angst.
• Ze zullen je uitlachen.

• Het oordeel van een ander over jou is belangrijk en een gevoel van angst om een fout te maken.


Patronen voor faalangst - voorbeeld 3

• Een hevige angst (die wordt geactiveerd zodra hij iets moet doen). Overweldigd door angst. Zo'n angst voelen dat hij de dingen niet goed kan uitvoeren.

• Je kunt het niet.
• Het is vreselijk moeilijk.
• Je zult niet slagen.
• Ze zullen ermee lachen.
• Het gaat boven jouw capaciteiten.
• Jij bent niet goed genoeg.
• Het zal niet lukken.

• Ze staan op je handen te kijken en ze zullen je oordelen, en hun oordeel zal vernietigend zijn, en een intense angst daarbij.

• ‘Falen’ en een gevoel dat dit hem achtervolgt als een dreiging.


Patronen voor faalangst en onzekerheid - voorbeeld 4

• ‘Angst’ (dit gevoel is er steeds bij activiteiten).
• Je kan het niet.

• Een patroon met het gevoel van onzekerheid. Zich heel onzeker voelen in bijna elke situatie. Enkel in een situatie die ze door en door kent, is er geen onzekerheid.

• Je zult niet slagen.
• ‘Je zullen jou oordelen’ en een angst voor het oordeel van een ander over haar prestaties.

• Je doet het niet goed.
• Bij alles wat ze doet zichzelf in vraag stellen. Het gevoel het niet goed te doen.
• Een enorme bevestiging nodig hebben van anderen dat ze het goed doet.
• Een enorme angst om fouten te maken, om iets niet perfect te doen.

• ‘Je zult fouten maken’ en een enorme angst daarvoor en een sterk gevoel van schaamte voor fouten.

• Het is bijzonder erg als je een fout maakt.
• Zorg dat je geen fouten maakt!!
• Wat zullen ze van je denken!
• Je bent niets meer in hun ogen als je fouten maakt.

• Alles doen om te voorkomen dat ze fouten maakt. Alles zoveel mogelijk plannen, over alles zekerheid moeten hebben.

• Je zult het niet goed doen, je doet het nooit goed, je maakt altijd fouten.  En een grote angst.

• Je bent niets waard.
• Je hebt geen waarde. (Dit zorgt ervoor dat ze een hoge nood aan bevestiging heeft.)


Patronen voor faalangst en onzekerheid - voorbeeld 5

• Een hevig gevoel van angst bij contact met mensen en een enorme onzekerheid over hoe hij zich moet gedragen. Een enorme angst om wat ze van hem zullen denken, en daardoor in paniek slaan. De controle over zichzelf verliezen, niet meer kunnen nadenken.

• Een angst als hij iets moet doen waar anderen bij staan.

• Een angst dat het niet goed zal zijn als hij iets moet doen, omwille van hoe de anderen er zullen over oordelen.

• Wat gaan ze denken!
• Schande over jou!
• Je doet het niet goed!

• Een enorm gevoel van onzekerheid bij elke actie waar anderen staan op te kijken of waar ze een oordeel over kunnen vellen. Daardoor controleverlies over zichzelf en de dingen slechter doen dan normaal.

• Zo'n hevige angst dat iets niet zou goed zijn en dat anderen daardoor een negatief oordeel zullen vellen. Daardoor gaat hij heel perfect en traag werken om maar absoluut geen enkele fout te maken.

• Een zeer grote angst om fouten te maken. Fouten maken is een totale afgang, een totale vernedering.

• Totaal niet kunnen verdragen dat iemand een negatief oordeel over hem zou kunnen hebben, en daardoor heel perfect willen werken om maar een goed oordeel van de ander te bekomen.


Patronen voor onzekerheid en minderwaardigheidsgevoelens

• Ze zullen je uitlachen.
• Je kunt het niet.
• Zij zijn beter.

• Je bent niets waard. De anderen zijn veel meer dan jou, de anderen doen het altijd beter.

• Wat jij gedaan heb, is nooit goed gedaan. Het kan nog veel beter. Bij de anderen is het beter.

• Je kunt het niet, je zult er niet in slagen het goed te doen. Het zal niet goed zijn.

• Onzeker zijn in de buurt van mensen, op zijn hoede zijn voor reacties van hen en klaar staan om zich te verdedigen. Angst om kritiek te krijgen en om met woorden aangevallen te worden.

• Veel zwijgen in de buurt van mensen uit angst om kritiek te krijgen om wat hij zegt, uit angst dat hij iets belachelijks zou zeggen en dat ze hem zouden uitlachen.

• Niet weten wat zeggen bij mensen, de woorden komen niet. Uit onzekerheid gaat hij de woorden die al komen stuntelig uitbrengen.

• Niet op zijn gemak zijn in de buurt van mensen, steeds op zijn hoede zijn voor hun gedrag naar hem toe.

• Zich heel minderwaardig voelen als iemand iets goed doet of iets beter doet dan hem. Dan zou hij door de grond kunnen zinken van schaamte omdat hij zo slecht is.

• Jij bent minderwaardig aan een ander.
• Je kan het niet, je bent dom, je bent minderwaardig.

• Snel denken dan hij iets niet kan, en zich daarbij heel minderwaardig voelen om het feit dat hij het niet kan.


Patronen voor minderwaardigheidsgevoelens tegenover meerderen

• Jij hebt geen waarde.

• Zij verdienen meer, zij hebben iets bereikt. Jij hebt niets bereikt, jij bent een grote nul, jij bent waardeloos.

• Ze staan boven jou. Dat betekent dat ze meer bereikt hebben, dat betekent dat ze beter zijn dan jou.  Het gevoel van minderwaardigheid bij een confrontatie met hen.

• Zich minderwaardig voelen als hij hen moet aanspreken omdat zij meer bereikt hebben, en daardoor zich minder goed kunnen uitdrukken.

• Je hebt de top niet gehaald, je hebt geen waarde. Alleen als je de top haalt, heb je waarde. Alleen als je de beste bent, heb je waarde en tel je mee in de maatschappij. Alleen als je de beste bent, beteken je iets.

• Zij zijn beter, zij hebben iets bereikt. Jij bent minder, jij hebt niets bereikt.

• Je moet iets bereiken, anders ben je een nul. Je moet de top halen (zoals je superieuren het gehaald hebben). Zich vergelijken met zijn superieuren en geconfronteerd worden met het feit dat zij de top gehaald hebben en hij niet, dat hij niets is ten opzichte van hen, dat zijn prestaties ondermaats zijn tegenover de hunne (want zo niet was hij er ook gekomen), en zich heel minderwaardig voelen daardoor.


Patronen om de beste te willen zijn (om de eigen waarde te willen bewijzen)

• Laat niet af, vecht, vecht, je moet winnen. Alleen zo kun je je bewijzen, alleen zo heb je waarde.

• Enkel als je wint, als je de eerste bent, heb je waarde. Als je verliest, ben je waardeloos. Diegene die verliest is minderwaardig. Angst voor minderwaardigheid.

• Je moet winnen. Win, win, zorg dat je wint. Een gedrevenheid om te winnen. Zich niets anders kunnen voorstellen dan te winnen.

• De winnaars zijn de helden, de verliezers zijn maar afval.

• Een gevoel van competitie hebben bij elk spel. De ander als een rivaal (bijna als een vijand) beschouwen. In oppositie staan tot de ander in een spel i.p.v. van een ander als een spelgenoot of een vriend te beschouwen.

• De besten zullen winnen. Als je niet bij de winnaars bent, behoor je niet tot de besten. Een gevoel van vernedering en schande daarbij.


Patronen voor te weinig zelfvertrouwen

• Wat gaan ze denken.
• Angst voor wat ze gaan denken.
• Je moet een goede indruk maken.

• Het moet goed overkomen, je mag geen gezichtsverlies lijden. Zich aanpassen aan wat verondersteld wordt dat de ander goedvindt.

• Het gevoel hebben dat ze beoordeeld wordt. De mening en de blik van een ander op zich voelen bij een contact, zich heel vriendelijk opstellen om een goede indruk te maken.

• Zich gedragen op een manier waarvan ze denkt dat ze ermee in de smaak valt, zoals bepaalde dingen zeggen, lachen ...

• Zich onzeker voelen bij anderen omdat ze niet weet wat de anderen denken en wat ze goed vinden.

• Iets niet altijd goed begrijpen en dat niet durven zeggen om geen verkeerde (of domme) indruk te wekken.

• Zich plooien en schikken naar een ander om een goede indruk te maken.

• Het zich achteraf aantrekken of ermee bezig zijn hoe ze zich gedragen heeft of wat ze gezegd heeft en wat ze ervan zouden denken.

• Ze moeten een goed gevoel over jou hebben. Ze moeten een positieve mening over jou vormen.

• Hun mening over jou is heel belangrijk. Zorg dat je een goede indruk maakt.

• Kritiek doet pijn. Dat betekent dat ze geen positieve mening over jou hebben. Leg het hen uit hoe het in elkaar zit. Anders zouden ze wel denken ...


Patronen om in de smaak te willen vallen bij anderen en bij de vrienden

• Wat zullen ze denken!
• Je moet mooie kledij hebben.

• Je moet aan de normen van de groep voldoen. Je moet mooi gekleed zijn, zo niet ben je minderwaardig.

• Je moet bij de groep behoren, je moet doen wat zij doen. Anders hoor je er niet bij.

• Ze zullen je uitlachen als je niet mooi gekleed bent.
• Je moet bij de groep horen, je moet gelijk zijn aan de anderen.

• Als je er niet bij hoort, zul je uitgesloten worden. Doe dus mee met de groep. Doe wat zij doen, ook al ga je er niet mee akkoord. Dat is noodzakelijk om erbij te horen, zo niet word je uitgestoten.

• Je moet in de smaak vallen, je moet aantrekkelijk zijn, je moet mooi zijn. Als je niet mooi bent, ben je minderwaardig en krijg je geen achting. Angst om niet mooi te zijn en om daardoor uitgesloten te worden. Ernaar streven om mooi te zijn om zodoende niet uitgesloten te worden, om aanvaard te worden.

• Willen in de smaak vallen bij anderen. Nood om te pronken, nood om de aandacht te trekken door mooie kledij of andere dure dingen. Daarom opscheppen om de indruk te geven dat hij dat allemaal heeft.

• Het is heel belangrijk wat een ander van je denkt. Je moet alles doen wat je denkt dat goed is om in de smaak te vallen, om erbij te horen. Desnoods moet je je eigen waarden opgeven om in de groep te kunnen versmelten. Je moet desnoods jezelf naar beneden halen om de anderen te behagen.


Patronen voor 'wat zal de ander denken?'

• Je moet belangrijk zijn voor de anderen. Je mag niet falen, je moet alles goed doen, je moet in alles uitblinken. Dit patroon legt een druk op hem om alles goed te doen. + Het patroon bevat ook een angst om te falen in de ogen van de anderen als alles niet even goed zou zijn.

• Ze hebben een zekere mening over jou. Een angst wat die mening zou kunnen zijn.  Zich afvragen wat die mening zou kunnen zijn, en dat als een last meeslepen en ermee bezig zijn wat ze zouden denken, omdat die mening van de anderen er is. Angst om iets stoms te doen in hun ogen.

• Je moet goed zijn in de ogen van de ander. Zo niet ben je een nul, zo niet ben je van geen tel.

• Zijn best doen om in de smaak te vallen en om mensen te plezieren, opdat ze goed over hem zouden denken, want het is heel belangrijk dat een ander goed over hem denkt. Zo niet voelt hij zich slecht.

• Angst voor het oordeel van nieuwe mensen en hierdoor helemaal verkrampen. Zich muisstil houden om niet op te vallen, opdat ze hem niet stom zouden vinden.


Patronen voor 'wat zal de ander denken?'

• Wat zullen ze wel denken?  Er is ook een angst en een schaamtegevoel daarbij.

• Ze zullen je veroordelen, je moet doen wat hoort.
• Wat de ander denkt, is juist.
• Jouw oordeel verzinkt in het niet, is niet belangrijk.
• Wat jij denkt, heeft geen waarde.
• Ze zullen je misprijzen. Je moet doen wat je denkt dat zij goed vinden.
• Zij zullen het zo denken, je moet doen zoals zij het denken.

• Schaamte voor de eigen gevoelens en de eigen mening en automatisch de mening van de ander meer krediet geven dan de eigen mening.

• Ik ben niets waard, de ander weet het beter.
• De maatschappij zal je verstoten als je niet doet zoals het hoort.

• Je moet de meerderheid volgen. Je mag niet afwijken van de gangbare norm, want wat zullen ze er anders wel van denken.

• Het is verkeerd om anders te zijn. Je moet meedoen met de rest.

• Je moet het doen zoals de anderen het doen. Zo kan je niets verkeerd doen en kan je niet veroordeeld worden en kan je niet uitgelachen worden.

• Angst om veroordeeld te worden voor een eigen mening.

• Een eigen mening onderdrukken, verzwijgen uit angst dat de ander er anders zou over oordelen.

• Je hoort te denken en te handelen zoals iedereen. Je mag geen eigen mening hebben. Je mag niet afwijken van de gangbare norm, want wat zullen ze anders denken?

• Loop mee in het gareel, doe mee met wat iedereen doet. Zo loop je geen gevaar.

• Je bent niet origineel, je hebt geen eigen mening.  Zwijg dus en doe wat de anderen doen.

• Een schaamte voor de eigen gevoelens en zichzelf onmiddellijk corrigeren als hij denkt dat hij een uitspraak gedaan heeft die een ander niet goed vindt, want wat zal die wel denken?

• Wat de anderen denken, is belangrijk.


Patronen voor een gebrek aan assertiviteit, om niet te kunnen weigeren, om te veel voor anderen te doen

• Je mag niets weigeren.
• Je bent weerloos tegenover wat de ander wil.
• Je kunt je niet verdedigen.
• Je kan niet weigeren.
• Je wilt het niet doen en toch doe je het.

• Je zet jezelf op de achtergrond en je zorgt dat de anderen eerst aan bod komen.

• Je moet steunen, je moet geven, ze mogen niet lijden.
• Je moet geven, je mag nooit neen zeggen, je mag nooit weigeren.

• Je doet het toch weer.Je kan uiteindelijk toch weer geen neen zeggen, ondanks alle goede voornemens.

• Zij zijn te vertrouwen, ze hebben goede bedoelingen, ze menen het goed met jou.
• Alle mensen zijn goed, niemand is slecht, iedereen heeft de beste bedoelingen.
• Je wilt het doordrukken zoals jij het wil, maar toch doe je weer hun zin.

• Je gaat mee met de zin en de mening van een ander, ook al wil je het niet, maar je kunt er niets aan doen. Je bent weerloos, je kunt je niet verdedigen.

• Je bent weerloos. Verzet je niet, vecht niet, je kunt er toch niets aan doen. Zij krijgen toch hun zin, zij winnen.

• Je laat van je profiteren, je verzet je niet, je komt niet tussenbeide, je laat ze lijdzaam begaan.

• Je kunt niet ingrijpen, je bent machteloos.

• Je doet altijd wat zij willen, je doet de wil van de ander. Jij hebt geen wil, wat jij wilt is niet belangrijk. De ander doet niet wat jij wilt.

• De anderen maken gebruik van jou. Je kunt je niet verzetten, je bent weerloos.

• Je gelooft wat de ander zegt, je vertrouwt ze op hun woord. Je denkt er niet kritisch over na of ze wel de waarheid spreken.

• Wat jij zegt, heeft geen waarde. Ze luisteren niet naar jou en ze doen toch hun zin, en jij moet hun wensen inwilligen. Jij moet toegeven aan hun wil.

• Jij bent braaf, jij doet alles wat zij willen, jij zal dat wel voor ze doen.
• Je kunt niet winnen, dus geef je maar toe.
• Je kunt je niet verzetten, dus geef je maar toe.

• Ze proberen het onderste uit de kan te halen, ze zijn nooit tevreden. Ze willen meer, en jij voelt je verplicht. Je voelt je schuldig want je hebt nog niet genoeg gedaan, want dat is wat ze zeggen.

• Zich verplicht voelen om iets voor een ander te doen, ook al wil hij het niet.

• Je bent schuldig als je iets voor jezelf vraagt.
• Je hebt nog niet genoeg gedaan, je moet nog meer doen.

• Heel gevoelig zijn voor een beschuldiging dat het niet goed genoeg is, en als reactie nog meer willen doen.

• Angst om te weigeren. Wat zullen ze wel denken? Ze zullen jou veroordelen, ze zullen kwaad van jou denken, ze zullen jou minachten.

• Angst en schaamte als hij weigert. Zich er niet goed over voelen als hij weigert, zich er schuldig over voelen en het dan toch maar doen. Als hij iets weigert, dan blijft dat draaien in zijn hoofd. Hij kan er niet los van komen, hij voelt zich schuldig. Het dan toch maar doen om rust te vinden.

• Je moet liefde geven.
• Je moet altijd lief zijn, je mag daar nooit vanaf wijken.
• Willen dat ze alles weten, willen pronken met kennis en prestaties.

• Het volledig uit de doeken willen doen omdat ze zouden zien hoe goed het is, het willen bewijzen.

• Je mag niets achterhouden, je moet alles vertellen.


Patronen voor beïnvloedbaarheid

• Je kunt niet op tegen hun mooie praatjes. Je plooit, je geeft toe.

• Luisteren naar een ander en doen wat de ander wilt of voorstelt. Eigen ideeën naar de achtergrond duwen.

• Zoals zij het zien is juist, zich zwak voelen om te argumenteren tegenover hun zienswijze.

• Je laat je beïnvloeden. Je gaat nadenken over hun zienswijze en je geeft ze gelijk. Je doet zoals zij het willen.

• Je keert terug op je beslissingen. Je hebt een zekere mening, maar je hoort hun mening en je doet het zoals zij het willen.

• Je bent weerloos tegenover de wil en de mening van een ander.

• Je kunt je eigen mening niet verdedigen, je kunt niet vasthouden aan je eigen mening.

• Zich laten overdonderen, zich laten in de hoek drijven, zich snel laten overtuigen, onmiddellijk toegeven.

• Wat een ander denkt, heeft waarde. Wat jij denkt, is van geen tel.
• Volg hun raad op, dat is de juiste weg.
• Je moet het doen zoals zij het denken.
• Zij weten het.
• Zij hebben de grote waarheid.
• Wat zij zeggen, is juist.


Patronen voor gevoeligheid voor kritiek en om hevig in de verdediging te gaan

• Ze willen je kwetsen.
• Ze doen je pijn.
• Het is hard bedoeld.
• Ze willen jou breken.
• Verdedig je.
• Leg het uit.

• Een patroon met als inhoud een beeld van de hevige reactie bij een opmerking.

• Hevig verdedigen.
• Ze hebben kritiek.

• Je voelt je zo ellendig om wat ze zeggen. Het doet zo'n pijn, je bent zo gekwetst. Hevig verdriet.

• Ze bedoelen het kwaad.
• Ze hebben geen goede bedoelingen.
• Ze willen jou dat allemaal aandoen.
• Pik het niet.
• Je moet aanvallen.

• Je moet je niet op je kop laten zitten. Val aan.  Een beeld van de manier van reageren.

• Reageer!
• Verdedig je!
• Schreeuw, ga in de aanval, vecht, verdedig je!

• Ze maken jou kapot. Laat niet op je kop zitten, val aan, roep, schreeuw, stamp.
• Een gevoel van woede dat opkomt en bij kritiek op de mensen willen stampen.


Patronen voor extreme gevoeligheid voor de mening van de ander en om hevig te reageren

• Wat gaan ze wel denken!!!
• Wat ze denken is zeer belangrijk!

• Ze willen jou vernietigen. Bescherm jezelf. Ze hebben het slechtste met je voor. Verdedig je.

• Laat ze geen mening over jou vormen, zorg dat je ze voor bent. Zodra ze een mening hebben, is het te laat. Dan kan het niet meer veranderen.

• Ze hebben een mening over jou en die is negatief. Ze menen het slecht met jou. Wees op je hoede.

• Je moet je verdedigen, je moet met nadruk spreken. Je moet het zeker uitleggen, anders geloven ze je niet.

• Wees overtuigend! Roep, schreeuw, ween! Verdedig je!
• Je moet hen overtuigen!

• Zich direct aangevallen voelen en zich heel zwak en ellendig voelen als iemand een andere mening heeft. Zich weerloos voelen bij een ander idee dan het hare. Zich zo intens ellendig voelen zodat ze alle energie uit zich voelt vloeien en alleen nog kan wenen.

• Elke opmerking kwetst!
• Je moet gekwetst zijn, het kan niet anders. Je kunt niet anders dan gekwetst zijn.

• Ze hebben kritiek, het is altijd kritiek, het is niets anders dan kritiek. Weer je vooraleer ze je volledig vernietigen. Ga in de aanval vooraleer ze het te ver kunnen drijven. Als het te ver gaat, is het te laat en is er geen weg terug. Ga daarom onmiddellijk in het verweer. Dan kun je jezelf redden van hun vernietigende oordeel.

• De anderen willen je vernietigen met hun oordeel. Wees alert voor elk oordeel en smoor het in de kiem.